“Wederzijdse diploma-erkenning hoogste prioriteit”

Telg uit de grensregio, verbinder, netwerker en aanspreekpunt voor grensoverschrijdende samenwerking: dat is Marcus Optendrenk, afgevaardigde voor de CDU in de Landtag van Noordrijn-Westfalen en voorzitter van de Parlamentariergruppe NRW-Benelux, in een notendop. Grenspost sprak met hem over de aantrekkingskracht en uitdagingen rond grensoverschrijdende samenwerking. Deze week het tweede en laatste deel van het interview.

Wat wilt u doen tegen het verdwijnen van kennis van de buurtaal?

Wederzijds begrip ontstaat dankzij talenkennis. Het feit dat de jongere generatie nog maar weinig Nederlands c.q. Duits spreekt, is zeker een punt van zorg. De meesten van hen spreken Engels en denken dat ze daarmee de wereld kunnen veroveren. Dat heeft tot gevolg dat ze veel zaken die slechts 5 kilometer verderop gebeuren, niet begrijpen, ook omdat taal te maken heeft met mentaliteit. De oplossing ligt in het bijeenbrengen van mensen, het liefst van jongs af aan. Ik zet me ook persoonlijk in voor het stimuleren van uitwisselingsprogramma´s tussen peuterspeelzalen en basisscholen. Dat is de kortste weg. In Düsseldorf zijn we in gesprek over de reactivering van instrumenten als het Duits-Nederlandse jeugdwerk, om dit als platform voor het stimuleren van grensoverschrijdend contact tussen jongeren te gebruiken. Als zij contact met elkaar hebben en daarbij geen obstakels zien, wordt samenleven over grenzen heen vanzelfsprekend.

Wat zijn de grootste bestuurlijke verschillen tussen Nederland en Duitsland?

De aanpak op dit vlak verschilt fundamenteel van elkaar. Dat zie je bijvoorbeeld wanneer je kijkt naar de uitvoering van Europese wet- en regelgeving. Een gemiddelde Nederlandse bestuurder probeert deze in te passen in het eigen systeem en als het even kan zo goed mogelijk voor het eigen systeem te benutten. Duitsers handelen veel meer vanuit ideologisch oogpunt. Zij steken veel energie in de vraag, hoe een 1-op-1 implementatie van deze regelgeving kan worden gerealiseerd, of nog extra regelgeving nodig is en of de regels strikter geïnterpreteerd moeten worden. Daaruit vloeit dan vaak een beweging voort, die veelal tegen de invoering van de Europese regels is.

Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren?

De Nederlandse aanpak om gewoon alvast te beginnen, heeft een paar belangrijke voordelen omdat er minder obstakels worden opgeworpen om iets nieuws op poten te zetten. Voor een groot aantal grensoverschrijdende projecten zou het echter goed zijn wanneer men, na het besluit om alvast te beginnen, even een pas op de plaats zou doen om zich af te vragen: “Hoe gaan we nu verder?” Anders wordt het aan Nederlandse kant vaak chaotisch. Als je deze verschillende manieren van aanpak beter met elkaar koppelt, profiteren alle betrokkenen daarvan.

De drie grensprovincies Gelderland, Overijssel en Limburg hebben inmiddels elk een ‘Deutschlandbeauftragte’ in Düsseldorf. Wat vindt u van deze investering door deze provincies?

Doordat er vanuit de provincies ook in Düsseldorf gezichten zijn die graag aanspreekpunt voor grensoverschrijdende kwesties zijn, staan de provincies in elk geval sterker. Daarom kan ik deze ontwikkeling alleen maar toejuichen. Nu gaat het erom, dat wij elkaar nog beter leren kennen om goed te kunnen bepalen wat wij in NRW precies kunnen doen om een bijdrage te leveren aan hun succes en te dienen als multiplicator.

Wat heeft voor u op het moment de hoogste prioriteit? Wat is de grootste uitdaging?

Dat is de wederzijdse diploma-erkenning, al jarenlang een groot probleem. De wil is er voor een groot deel wel, maar de bureaucratie zit in de weg. Als je bijvoorbeeld ziet dat er aan de HAN in Arnhem uitstekende pedagogen en psychologen worden opgeleid, en zij met een beetje pech in Duitsland, ondanks de personeelstekorten, niet aan de slag kunnen omdat hun diploma niet erkend is, dan is dat een doorn in het oog. En als ze wel in Duitsland een baan vinden, dan worden ze bij gebrek aan diploma-erkenning slechter betaald. Werkgevers in beide landen zouden aan de hand van bijvoorbeeld een stempel van een hogeschool of universiteit moeten kunnen zien, dat een afgestudeerde over de juiste vaardigheden beschikt. Het wordt tijd dat jongeren, voor wie de grens er sowieso geen meer is, merken dat deze ook in het onderwijs geen rol meer speelt. Daarin loopt het bestuurlijke apparaat 20 jaar achter op de mensen. En dat geldt niet voor de individuele bestuursmedewerker, maar voor de structuur als geheel.