“Coronapandemie geeft GROS extra impuls en dimensie”

Consul-generaal Peter Schuurman

Videocalls zijn volgens Peter Schuurman niet ‘the real thing’ – maar de twinkeling in zijn ogen is ook digitaal zichtbaar wanneer hij spreekt over zijn functie als consul-generaal in Düsseldorf. Deze vervult hij sinds anderhalf jaar met verve en veel plezier. De internationaal econoom is helemaal op zijn plek in de hoofdstad van de grootste Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen en draagt grensoverschrijdende samenwerking een warm hart toe. Grenspost Düsseldorf ging met hem in gesprek over diverse aspecten die hierbij een rol spelen.

Waarvoor kunnen mensen u als consul-generaal en het consulaat-generaal in Düsseldorf in het algemeen benaderen?

“De deur staat open voor personen, bedrijven en instellingen die vragen hebben over hun (potentiële) Nederlandse betrekkingen met Duitsland. Het is de toegangspoort voor iedereen die in dit deel van Duitsland zakendoet of wil gaan doen of andere activiteiten wil ontplooien. Naast economie zijn echter ook cultuur en onderwijs belangrijke thema’s. En daarnaast zijn we als consulaat-generaal bijvoorbeeld ook verantwoordelijk voor de begeleiding van Nederlandse gedetineerden in Duitse gevangenissen, iets wat lang niet iedereen weet.”

Wat sprak u in het bijzonder aan toen de post van consul-generaal in Düsseldorf beschikbaar kwam? 

“Ik ben van huis uit internationaal econoom en er stond een aantal zaken in de vacature die mij heel erg aanspraken, zoals het economische aspect. En ook grensoverschrijdende samenwerking stuitte bij mij op enthousiasme. Tijdens eerdere functies bij de ministeries van Buitenlandse en Economische Zaken had ik veel contact met andere departementen en overheden en ook dat zag ik in de functieomschrijving terugkomen. En ten derde: ik heb wel een band met Duitsland. Ik heb affiniteit met de Duitse cultuur, de manier van werken en met de mensen.”

Klopt dat beeld nog? Wat is uw indruk na uw eerste anderhalf jaar als consul-generaal in Düsseldorf?  

“Een post als consul-generaal brengt normaal gesproken met zich mee dat er veel afspraken buiten de deur op de agenda staan. Ik werkte ongeveer driekwart jaar in Düsseldorf toen de coronapandemie de kop opstak en events en fysieke bijeenkomsten uit de agenda werden geschrapt. Na een kleine opleving in de zomer kon de agenda met fysieke afspraken weer de ijskast in. We doen online allemaal ontzettend ons best, maar het is toch niet ‘the real thing’. Het persoonlijke, live contact met de mensen mis ik enorm. Ik hoop heel erg dat ik na de coronapandemie een inhaalslag kan maken.”

Heeft u een persoonlijke link met Duitsland? Indien ja, kunt u daar iets meer over vertellen? Hoe komt het dat u zo goed Duits spreekt?

“Ik heb als kind in Argentinië gewoond en zat daar op een Duitse school. De helft van het onderwijs werd hier gegeven in het Duits. Je zou kunnen zeggen dat hier de basis van mijn liefde voor Duitsland werd gelegd. Daarnaast heb ik een deel van mijn jeugd in Arnhem gewoond en was Duitse les op de middelbare school nog vanzelfsprekend. Ook gingen we met de atletiekvereniging op uitwisseling naar Duitsland. In die tijd was het oversteken van de grens nog een hele happening. Op televisie had je meer Duitse dan Nederlandse zenders en mijn ouders gingen met ons regelmatig de grens over voor een uitje. Ik heb bovendien altijd geprobeerd om in het Duits te blijven lezen.”

Wat heeft u het meest verrast aan de Duits-Nederlandse samenwerking?

“Dat de landen al zo met elkaar verweven zijn dat elk thema in meer of mindere mate al een Nederlands-Duitse link heeft. Die verbondenheid gaat soms verder dan ik op voorhand had gedacht. In eerdere functies had ik ook met grensoverschrijdende samenwerking te maken, maar daarbij ging het vooral om infrastructuur en de samenwerking tussen gemeenten. Toen ik anderhalf jaar geleden in Düsseldorf aan de slag ging, was ik onder meer positief verrast over de samenwerking tussen diverse Nederlandse en Duitse onderwijsinstellingen.”

Welk Nederlands boek zou iedere Duitser moeten hebben gelezen? En omgekeerd?

“‘Pier en Oceaan’ van Oek de Jong, over Abel Roorda en zijn gelovige familie en het veranderde Nederland van de Hongerwinter tot de welvarende jaren zeventig. Het boek heeft niet alleen een meeslepende verhaallijn, maar geeft ook een goed beeld van hoe Nederland was en is. Nederlanders geef ik als boekentip graag ‘Het verhaal van een Duitser 1914-1933’ van Sebastian Haffner mee. Hij analyseert de Duitse samenleving zoals die in zijn jeugd bestond, de Eerste Wereldoorlog, de Vrede van Versailles, de inflatie van 1923 en de totale politieke en maatschappelijke ontreddering waardoor de nazi’s aan de macht kwamen.”

Sinds vijf jaar is een aantal Nederlandse provincies vertegenwoordigd op het consulaat-generaal in Düsseldorf. Zouden er meer provincies vertegenwoordigd moeten zijn, bijvoorbeeld voor de samenwerking met Nedersaksen? En wat te denken van andere organisaties?

“Ik zou er zeker voor openstaan wanneer er nog meer provincies in Düsseldorf zouden aanhaken. Dat de provincies Gelderland, Overijssel, Zuid-Holland en Limburg hier al vertegenwoordigd zijn, is voor mij echt de kers op de taart en een unicum. We voeren wekelijks overleg met de provinciecollega’s en hebben voor dit jaar twee bijzondere aandachtsvelden gekozen: water en cultuur. Dat is een mooie manier om besluiten beter te maken, om over zaken te sparren en deze te toetsen. Andere provincies zijn van harte welkom. Düsseldorf ligt natuurlijk wat verder weg van de noordelijke provincies dan van bijvoorbeeld Gelderland en Overijssel, maar als er animo bestaat, dan is dat zeker iets om te bespreken.”

“Ik wil echter wel benadrukken dat het consulaat-generaal in Düsseldorf na de coronapandemie graag weer een plek is voor ontmoetingen tussen mensen en een locatie voor Nederlands-Duitse workshops van bijvoorbeeld de waterschappen of andere instanties.”

Wat mist er nog in de samenwerking met de provincies?

“Waar ik wekelijks contact heb met de provinciecollega’s uit Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant, Zuid-Holland en Limburg is het contact met de Commissarissen van de Koning in deze provincies wat minder frequent. De Commissarissen van de Koning in de noordelijke provincies spreek ik in het kader van de stuurgroep GROS, voorgezeten door dhr. René Paas, vaker. Wat mij betreft zou het een stap vooruit zijn wanneer ik ook de Commissarissen van de Koning van de provincies die aan Noordrijn-Westfalen grenzen wat vaker zou spreken.”

Als u terugkijkt naar het afgelopen jaar: wat waren de beeldbepalende momenten?

“Dat de Nederlands-Duitse grens door de coronapandemie plotseling weer voelbaar werd en ook andere zo vanzelfsprekende zaken plotseling niet meer vanzelfsprekend waren. En dat is eigenlijk een mooie manier van bewustwording. Juist in deze bizarre tijden hebben we laten zien hoe goed we elkaar over de landsgrenzen heen weten te vinden. Denk bijvoorbeeld aan de oprichting van de Cross-Border Task Force Corona. Een prachtig forum om grensoverschrijdende issues die de kop opsteken te agenderen en vooral ook om niet meteen toe te geven aan een reflex om de grenzen te sluiten, maar juist om vooral te proberen om deze voor noodzakelijk verkeer open te houden. Iets waarin we gelukkig door een goede samenwerking zijn geslaagd.”

En wij zijn Duitsland uiteraard nog steeds zeer dankbaar dat zij vorig jaar, toen de IC-capaciteit in Nederland onder druk kwam te staan, meteen klaar stonden om Nederlandse patiënten te ontvangen. Dat heeft op mij veel indruk gemaakt.

Zijn er naar uw idee nieuwe grensoverschrijdende problemen of kansen ontstaan door de coronacrisis?

“Zeker. Waar er wellicht eerst wat angst bestond dat de coronapandemie een remmende werking op grensoverschrijdende samenwerking zou kunnen hebben, heeft deze misschien zelfs wel een impuls gekregen. Denk bijvoorbeeld aan de gezondheidszorg. Noordrijn-Westfalen en ook Nedersaksen hielpen en helpen ons met de opvang van coronapatiënten en het beschikbaar stellen van IC-bedden. Dat heeft ook meteen een hieraan gerelateerd onderwerp weer op de agenda gezet: de uitwisseling van patiëntgegevens. Wanneer een Nederlander in de grensregio een ongeluk krijgt en het ziekenhuis in Emmerich bijvoorbeeld dichterbij is dan dat in Arnhem, zou het een enorm winstpunt zijn als we ervoor zouden kunnen zorgen dat in dergelijke gevallen ook patiëntgegevens tussen Nederland en Duitsland kunnen worden uitgewisseld. Door de coronapandemie heeft dit onderwerp in elk geval weer een duwtje in de rug gekregen. Ook de kwestie rondom de huisvesting van Oost-Europese arbeidsmigranten die in Duitsland wonen, maar in Nederland werken, is door de pandemie onder een vergrootglas komen te liggen. Het thema heeft daardoor meer prioriteit op de grensoverschrijdende agenda gekregen.”

“Een interessante bijkomstigheid van de coronapandemie is dat deze mij duidelijk gemaakt heeft hoe verweven wij met elkaar zijn. Niet alleen economisch, maar ook maatschappelijk, cultureel enzovoort. Volgens mij staan mensen aan beide kanten van de grens te trappelen om, zodra het weer kan, hier verder aan te werken. Ik zou het geweldig vinden als het Consulaat-Generaal hierbij, nog meer dan nu, als dé niet-te-missen partner bij deze samenwerking bekend komt te staan.”

Hoe vieren wij Koningsdag in 2021?

“Daar is nog niets over besloten. Er is al wel een locatie gereserveerd, maar om eerlijk te zijn weet ik nog niet of wij vanwege corona in 2021 een mooie Koningsdagreceptie kunnen organiseren. In 2022 doen we het dan in elk geval dubbel en dwars over. Ik kijk er in elk geval zeer naar uit om voor het eerst binnen mijn ambtstermijn aan de Koningsdagreceptie te kunnen deelnemen!”

Afscheidsinterview Ton Lansink: van braadworst naar couscous

Aan het eind van de zomer legt Ton Lansink (1955), consul-generaal van het Koninkrijk der Nederlanden in Düsseldorf, zijn functie neer om aan de slag te gaan als ambassadeur in Tunesië. Voordat hij, zoals hij zelf zegt, “de braadworst inwisselt voor de couscous”, blikt hij in een interview met Grenspost terug op zijn werkzaamheden in ons buurland in de afgelopen vier jaar.

U bent vier jaar lang consul-generaal op het consulaat in Düsseldorf geweest. Waar hebt u zich gedurende deze periode vooral mee beziggehouden?

Eerst en vooral met een drietal zaken: grensoverschrijdende samenwerking, economische diplomatie (het vroegere handelsbevordering, red) en een reorganisatie op het consulaat-generaal. Als we kijken naar economische diplomatie, dan beperkt zich dat al lang niet meer tot de rechtstreekse ondersteuning van bedrijven. Het draait vooral ook om het diplomatiek actief zijn op sectorniveau, ook grensoverschrijdend. Een mooi voorbeeld daarvan op het gebied van infrastructuur zijn de verschillen bij het onderhoud van bruggen, die in Nederland in de regel veel sneller gerepareerd worden dan in Duitsland. Hier liggen kansen voor Nederlandse gespecialiseerde bedrijven. Wij helpen hen graag om het potentieel aan de andere kant van de grens te benutten.

Op welke resultaten uit de afgelopen vier jaar bent u het meest trots?

Ik vind het ontzettend fijn dat er dit najaar regeringsconsultaties op stapel staan. Daarnaast ben ik erg blij met de groeiende aandacht voor de grensregio’s vanuit Den Haag. Er zijn momenteel relatief veel politici die een band met de grens hebben en dat kan ik alleen maar toejuichen. Noordrijn-Westfalen, Nederland en Vlaanderen vormen één groot economisch gebied met een groot nadeel: heel veel zaken die ons dagelijks (samen)leven betreffen, zoals belastingen, sociale voorzieningen en arbeidsrecht, zijn verschillend geregeld. Met een auto kun je de grens oversteken, met een belastingstelsel niet. En in dat grote gebied, waarin drie landen nauw met elkaar verbonden zijn, is het belangrijk dat we competitief blijven, niet alleen binnen Europa maar ook in de rest van de wereld. Het is goed dat politici zich realiseren dat ze daar iets aan moeten doen.

Wat zijn volgens u de meest urgente kwesties waar de volgende consul-generaal mee aan de slag moet?

De arbeidsmarkt. Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nederland kennen heel duidelijk drie verschillende arbeidsmarkten die nauwelijks met elkaar zijn verbonden. Er zijn tijden geweest waarin er sprake was van grote verschillen in werkloosheidspercentages langs de grens. Dat is nu gelukkig anders, maar het geeft wel aan dat de arbeidsmarkt niet geïntegreerd is.
Ook op het gebied van ruimtelijke ordening is er volop werk aan de winkel. Dan hebben we het niet alleen over grensoverschrijdende spoorverbindingen en rivieren, maar bijvoorbeeld ook over het vervoer via buizen. Je hebt er niets aan als dat aan de ene kant van de grens goed is geregeld en aan de andere kant niet.

Wat vindt u het leukste aspect aan grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en Duitsland?

Ik ben een kind van de regio en ik voel me in Düsseldorf als een vis in het water. Het is ongelooflijk prettig om met de Duitse collega’s samen te werken. Ik zeg niet dat we hetzelfde zijn, maar er is veel herkenning. Ik groeide in het Achterhoekse Lichtenvoorde op met Sint Maartensoptochten, paasvuren, schuttersverenigingen en Frühshoppen. En dat kent men in Noordrijn-Westfalen ook. Toen ik in 2014 in Düsseldorf aan de slag ging, voelde ik me meteen thuis. Dat kan als diplomaat op verder weg gelegen posten weleens anders zijn.

Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren en andersom? Wat heeft u zelf van uw tijd in Duitsland opgestoken?

Om te beginnen de Duitse taal. Ik ben weliswaar opgegroeid met de Duitse televisie, maar er is niets fijner dan een taal zo te beheersen dat je er ook echt professioneel in kunt communiceren. En wat ik ook heb geleerd, is dat mensen niet altijd in de gaten hebben dat de problemen die we tegenkomen bij onze samenwerking vaak veroorzaakt worden doordat we gewoonweg een andere aanpak hebben. Met name bij Duitsers is dat opvallend. Waar Duitsers beginnen met een grondige analyse van een probleem, vinden Nederlanders dat veel te lang duren en beginnen ze direct met het zetten van de eerste stappen tot een oplossing om vervolgens te zien wat er gebeurt. Beide manieren van aanpak zijn echter van grote waarde, met allebei hun voor- en nadelen. Prettig aan het samenwerken met een Duitser is te weten dat een afspraak ook echt een afspraak is. En bij Nederlanders is het prettig om te weten dat er, zodra zich een probleem voordoet, altijd naar een oplossing wordt gezocht.

Merkt u dat in de afgelopen vier jaar meer Nederlandse bedrijven de stap naar de Duitse markt hebben gewaagd? Is de drempel om in het buurland aan de slag te gaan lager geworden?

Toen ik in 2014 aantrad als consul-generaal waren er heel veel bedrijven die graag naar Duitsland wilden. Dat had natuurlijk alles te maken met de economische situatie in Nederland. Nu de economie weer is aangetrokken, is de noodzaak om over de grens te kijken er niet meer per se. En zakendoen in Duitsland gaat nu eenmaal echt anders dan in Nederland en dat merken Nederlandse ondernemers ook. Als de zaken in eigen land goed gaan, is het altijd de vraag of zij energie kunnen en willen steken in het aanboren van een nieuwe markt. Wat wel positief is, is dat het handelsvolume tussen Nederland en Duitsland het afgelopen jaar wederom is toegenomen, zij het slechts een klein beetje. Nederland is de concurrentiestrijd met landen als China, Polen en Tsjechië dus niet aan het verliezen en dat is een opsteker. Het is leuk om nieuwe markten te verkennen, maar het is ook goed om stabiele inkomsten te hebben en de export naar een belangrijk buurland als Duitsland niet te verliezen.

U bent hiervoor ambassadeur in Libië geweest en gaat nu weer terug naar het Midden-Oosten als ambassadeur in Tunesië. Wat trekt u zo aan in de Arabische wereld?

Ik ben beroepsmatig natuurlijk iemand die elke vier jaar een andere tak van sport beoefent. Tunesië trekt mij vooral omdat het voor een diplomaat een heel interessant en boeiend land is, vooral op het gebied van politiek, veiligheid, migratie en maatschappelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn mijn vrouw en ik ooit in een Arabischsprekend land begonnen. Het voelt niet als thuiskomen, maar het voelt wel heel vertrouwd. En Tunis ligt op dezelfde hoogte als Sicilië en Zuid-Spanje, dus dat betekent lekker weer en lekker eten. Ik verheug me op de couscous.

Foto: (c) Studio Schaffrath