“De Nederlands-Duitse samenwerking is ongeëvenaard goed”

(c) Udo Leist

Carsten Schymik is sinds 2011 werkzaam bij de Staatskanzlei van Noordrijn-Westfalen. De politiek wetenschapper werkt hier op de afdeling ‘Benelux-samenwerking, grensoverschrijdende samenwerking en betrekkingen met de EFTA-Staaten’ en houdt zich samen met zijn collega´s vooral bezig met het onderhouden en ontwikkelen van de betrekkingen van Noordrijn-Westfalen met de Benelux-landen. Ook speelde hij een belangrijke rol bij de voorbereidingen van de regeringsdialoog tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen afgelopen november. Grenspost Düsseldorf stelde hem een paar vragen.

Kunt u iets meer over uzelf en uw achtergrond vertellen?

Ik werk sinds 2011 bij de Staatskanzlei van Noordrijn-Westfalen. Oorspronkelijk kom ik uit de wetenschap. Ik ben politiek wetenschapper, heb lang in Berlijn gewoond en gewerkt, op het laatst bij de Stiftung Wissenschaft und Politik, een denktank ter advisering van de Bondsregering en Bondsdag. Hier was ik binnen de onderzoeksgroep Europese Integratie verantwoordelijk voor het gebied rondom de Oostzee en de samenwerking met Scandinavië en de Arctische gebieden: kortgezegd: voor alles tussen Neukölln en de Noordpool.

Hoe zien uw huidige werkzaamheden eruit? Wat houdt uw functie precies in?

Binnen de afdeling Europa, Internationale aangelegenheden van de Staatskanzlei werk ik op de afdeling voor ‘Benelux-samenwerking, grensoverschrijdende samenwerking en betrekkingen met de EFTA-Staaten’. Dat is de volledige titel. In de praktijk houden we ons vooral bezig met het onderhouden en ontwikkelen van de betrekkingen van Noordrijn-Westfalen met de Benelux-landen. Daarbij bestaan in principe geen beperkingen. We houden ons bezig met alle thema’s binnen de samenwerking op alle vlakken van de samenwerking – van het kleine grensverkeer tot de grote regeringsconsulatie.

Wat vindt u het leukste aan uw baan?

De veelzijdige thema’s waar we mee te maken hebben. Ik vind het erg inspirerend om steeds weer nieuwe facetten binnen de samenwerking te leren kennen. En steeds weer te worden gestimuleerd om creatieve oplossingen te bedenken.

Hoe zijn uw ervaringen met de Nederlands-Duitse samenwerking?

Ongeëvenaard goed. Ik geloof niet dat er voor Duitsland nog een land bestaat waarmee zo’n intensieve, productieve samenwerking mogelijk is als met Nederland. Natuurlijk zijn er ook wel eens moeilijkheden, juist omdat we in veel opzichten op elkaar lijken. Maar dat is eigenlijk klagen op heel hoog niveau.

Welke Nederlandse eigenschap weet u het meest te waarderen?

Wat ik in het bijzonder weet te waarderen is een heel bijzondere Nederlandse eigenschap, die je misschien empathische handelsgeest zou kunnen noemen. Een mix van het nuchter afwegen van belangen en inlevingsvermogen. Veel Nederlanders zijn goede onderhandelaars, omdat ze met gevoel met hun gesprekspartners omgaan en er veel voor doen om te zorgen dat iedereen zich goed voelt. Dat begint er al mee dat je eerst lekker een kopje koffie met elkaar drinkt, voordat de zakelijke aspecten aan bod komen. Of dat aan het eind van een vergadering niet gewoon het agendapunt ‘diverse zaken’ aan bod komt, maar een rondvraag plaatsvindt, waarbij elke deelnemer wordt aangekeken en gevraagd of hij of zij nog iets op het hart heeft. En als je aan het eind van lastige en lange onderhandelingen een bezorgd gezicht trekt, is hier ondanks de vermoeidheid aandacht voor en vraagt men vol begrip na waarover je je zorgen maakt en of er geen mogelijkheid is om samen deze zorgen uit de weg te ruimen. Het is zonder twijfel zo dat Nederlanders net zo sterk opkomen voor hun belangen als anderen, maar ze beschikken over de gave dat ze dit op zeer empathische wijze doen, wat de samenwerking erg aangenaam maakt.

De vier provincies Gelderland, Overijssel, Limburg en Zuid-Holland hebben inmiddels elk een ´Deutschlandbeauftragte(r)’ in Düsseldorf. Wat vindt u van deze investering door deze provincies?

Alleen maar positief. Met de vertegenwoordigers in Düsseldorf krijgen de grensprovincies een gezicht dat ze anders niet zouden hebben. Ze zijn in veel aangelegenheden ons eerste aanspreekpunt. Ze maken de lijnen korter en de communicatie eenvoudiger. Ze geven ons ook belangrijke handvatten als het gaat om de fijnheden en complexiteit van de Nederlandse politiek. Dat helpt ons echt en is een goede aanvulling – ik zeg met klem aanvulling en niet vervanging – op onze gevestigde contactpersonen bij het consulaat-generaal.

De grensregio´s worden ook landelijk gezien steeds belangrijker, zoals we onder andere konden zien aan de regeringsconsultaties tussen Noordrijn-Westfalen en Den Haag. U heeft in de voorbereiding een belangrijke rol gespeeld. Kunt u daarover wat meer vertellen?

Dat was zeker een bijzondere ervaring. Het komt tenslotte niet elke dag voor dat een landelijke regering bereid is om op ooghoogte een dergelijke dialoog aan te gaan met een deelstaatregering. De uitdaging was onder andere dat we te maken hadden met een grote verscheidenheid aan thema’s en een groot aantal actoren tegelijkertijd – en ook nog eens tweetalig. Maar dat is uiteindelijk gelukt, en dat was ook ontzettend leuk.

Hoe kijkt u aan tegen de gegroeide belangstelling voor grensoverschrijdende samenwerking aan beide kanten van de Nederlands-Duitse grens?

Aan beide kanten van de grens is er een duidelijke politieke wil aanwezig om deze samenwerking te intensiveren. Dat is een belangrijke voorwaarde. De reden voor deze groeiende wil is misschien ook de algemene stemming in Europa en de wereld. Met het oog op nieuwe onzekerheden (Brexit, Rusland..) groeit het bewustzijn voor hetgeen we als directe buren aan elkaar hebben. We groeien in zekere zin een stuk naar elkaar toe, terwijl het in de rest van de wereld steeds onrustiger wordt.

Hoe zal deze zich in de toekomst ontwikkelen?

Iedere samenwerking kent natuurlijk haar conjuncturen. Momenteel beleven we een hoogconjunctuur in de grensoverschrijdende samenwerking. Belangrijk is dat we een lange adem blijven houden en ervoor zorgen dat de grensoverschrijdende betrekkingen blijven bestaan. Continuïteit is van onschatbare waarde in de samenwerking over de landsgrenzen heen.

Foto (c): Udo Leist

“Cruciaal om over de landsgrenzen heen samen te werken”

Sinds kort heeft de provincie Zuid-Holland – net als de provincies Limburg, Gelderland en Overijssel – een Deutschlandbeauftragter op het Nederlandse consulaat-generaal in Düsseldorf. Zuid-Holland werkt daarvoor samen met Gelderland: de Deutschlandbeauftragter voor Gelderland, Doede Sijtsma, behartigt nu een dag in de week ook de belangen van Zuid-Holland in Düsseldorf. Floor Vermeulen, Gedeputeerde Verkeer en Vervoer voor de Provincie Zuid-Holland, beantwoordt enkele vragen van Grenspost Düsseldorf.

Waarom is samenwerking met Duitsland belangrijk voor de provincie Zuid-Holland?

Vanwege een gedeeld eigen belang. Voor de haven van Rotterdam is het bijvoorbeeld cruciaal om over de landsgrenzen heen samen te werken, zodat we het transport over weg, spoor en water kunnen verbeteren. Samen met Noordrijn-Westfalen en vier andere Nederlandse provincies werken we daaraan.

Bovendien vormen de Lage Landen samen met Noordrijn-Westfalen de Eurodelta, die bestaat uit de drie stedelijke regio’s in Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en de Randstad. Dit gebied heeft zo’n 40 miljoen inwoners. Over het belang van samenwerking in dit gebied zei Commissaris van de Koning van Zuid-Holland Jaap Smit: “Vanuit het perspectief van andere belangrijke logistieke regio’s in de wereld, zoals Amerika of Azië, is onze Eurodelta één gebied.” Het is onze ambitie om de economische groei in de Eurodelta te bestendigen voor echte banen en echte mensen in de nabije toekomst. Daar moeten we nu op inzetten.

Waar ziet u de voordelen van samenwerking met de grensprovincies richting Duitsland?

Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel hebben al langere tijd goede contacten met de deelstaatregering in Düsseldorf. Door de Brexit wordt Zuid-Holland ook een grensprovincie binnen Europa, dus wij kunnen op dat vlak veel van de grensprovincies leren.

Tegelijkertijd voegen wij voor de (verduurzaming van de) corridors ons netwerk en kennis toe, zodat de Werkagenda voor mobiliteit en verkeer op alle gebieden tot concrete acties leidt.

Welke concrete thema’s zijn voor Zuid-Holland belangrijk in de samenwerking met Duitsland?

Digitalisering, de energietransitie en demografische ontwikkelingen vragen om het inslaan van nieuwe wegen. Het moet slimmer, schoner en sterker. Grenzen mogen daarbij geen rol meer spelen. Noordrijn-Westfalen heeft een stevige doelstelling geformuleerd ten aanzien van de verbetering van de samenwerking met haar westelijke buurlanden. De agenda’s van bestuurlijk en ambtelijk Nederland en Noordrijn-Westfalen worden daardoor nu al beter op elkaar afgestemd.

Om de Eurodelta een concurrerende regio te laten blijven, moeten we ervoor zorgen dat de modaliteiten naadloos op elkaar aansluiten. De netwerken moeten voldoende robuust zijn en vooroplopen in slimme en schone technieken. Dat kan alleen als we intensiever samenwerken, zeker ook over landsgrenzen heen.

Aangezien Noordrijn-Westfalen de belangrijkste handelspartner van Nederland is, is verdere samenwerking tussen Zuid-Holland en het Ruhrgebied op het gebied van logistiek en transport interessant. De efficiëntie in de binnenvaart kan verder verhoogd worden – denk bijvoorbeeld aan papierloos varen en data die grensoverschrijdend gedeeld worden. Ook streven we ernaar om meer treinen tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen te laten rijden, voor goederen én mensen, en liggen er kansen voor samenwerking op het gebied van energie en bio-economie.

Wat gaat goed, en op welke punten is er nog terrein te winnen?

Veel gaat al goed. Zuid-Holland werkt met Noordrijn-Westfalen samen binnen een aantal Europese netwerken: AIR (luchtkwaliteit), Vanguard (economie) en Clean Inland Shipping. In het laatstgenoemde project worden bijvoorbeeld emissie-reducerende technologieën en alternatieve brandstoffen voor de binnenvaart in de praktijk getest.

Op het gebied van de binnenvaart zijn er daarnaast nog andere lopende projecten met Noordrijn-Westfalen. Door de groei van de bevolking en de opkomst van e-commerce groeit de vraag naar producten en dus transport. Daarom zijn er investeringen nodig in smart shipping en moet de bestaande infrastructuur zo goed mogelijk worden benut. InnovationQuarter, de regionale investeringsmaatschappij van Zuid-Holland, is daarom gestart met een blockchain-pilot in de binnenvaart van Rotterdam naar Duisburg. In deze pilot streven zes samenwerkende partijen naar één digitaal platform, waarin alle documenten voor transport in de binnenvaart veilig worden weggezet.

U was op 25 februari in Zwolle aanwezig bij het Mobiliteitsoverleg tussen een aantal Nederlandse provincies en het Ministerium für Verkehr van Noordrijn-Westfalen. Wat zijn uw eerste ervaringen in deze samenwerking?

Het is heel goed dat Hendrik Wüst als minister van Verkeer van Noordrijn-Westfalen heeft uitgesproken wat zijn ambities betreffende de samenwerking met Nederland en Vlaanderen zijn. De Rotterdamse haven is immers de belangrijkste zeehaven van NRW, dus is het logisch om op het gebied van mobiliteit en ook economie gezamenlijk de handschoen op te pakken. Ik waardeer zijn uitnodiging daarvoor zeer, en wil die namens Zuid-Holland graag vanaf nu concreet ter hand nemen.

Welke afspraken zijn er gemaakt in dit mobiliteitsoverleg?

We waren bij elkaar om de Werkagenda voor mobiliteit en verkeer te ondertekenen. Nu is het tijd om met de uitvoering hiervan aan de slag te gaan.

Hebt u al kennis gemaakt met Nederlands-Duitse cultuurverschillen en, indien ja, welke?

Cultuurverschillen zijn er overal, maar de ambitie om de corridor te verbeteren voert de boventoon. Deze energie in het netwerk zullen we met elkaar vast moeten houden de komende jaren. Met de concrete afspraken die op tafel liggen moet dat lukken.

Hoe is het gesteld met uw kennis van de Duitse taal?

Ik heb eindexamen Duits gedaan op het gymnasium, en door mijn opleiding en internationale ervaring van de laatste jaren is mijn Duits gelukkig goed. Desalniettemin voer ik echt ingewikkelde discussies liever in het Engels.

Foto:
Bron: Provincie Zuid-Holland.

“Het komt er nu op aan om de aandacht voor grensoverschrijdende samenwerking vast te houden”

Sjaak Kamps, al sinds 1990 werkzaam bij de Euregio Rijn-Waal, en is met recht ‘door de wol geverfd’ waar het gaat om het onderhouden en uitbreiden van grensoverschrijdende betrekkingen. In dit eindejaarsinterview met Grenspost kijkt de directeur van de Euregio Rijn-Waal terug op bijna 30 jaar samenwerking over de Nederlands-Duitse landsgrenzen heen – en blikt vooruit naar de komende jaren.

Kunt u iets meer vertellen over uw achtergrond? 

Dat ik 28 jaar geleden in het Nederlands-Duitse wereldje ben beland, is misschien niet geheel toevallig. Ik ben opgegroeid in het Nederlandse Siebengewald, letterlijk op steenworp afstand van de Duitse grens. Van huis uit waren er altijd al veel contacten met de oosterburen en toen in mijn middelbareschooltijd Europese samenwerking op het lesrooster stond, was mijn interesse voor grensoverschrijdende samenwerking definitief gewekt. Na mijn studie geografie in Nijmegen kwam ik terecht op de afdeling regionale economische samenwerking voor de regio Nijmegen. Hier ontstond het eerste contact met de Euregio Rijn-Waal, toen nog Regio Rijn-Waal.

Kunt u een beeld schetsen van de ontwikkelingen die de grensoverschrijdende samenwerking sinds 1990 heeft doorgemaakt?

In de beginjaren was de Regio Rijn-Waal nog een organisatie met een secretaris, die zijn werk voor de Regio naast zijn pensioen deed. Er was slechts een handjevol medewerkers in dienst. Dit veranderde langzaam toen er in 1989/90 vanuit Brussel voor het eerst wat grotere bedragen voor grensoverschrijdende samenwerking beschikbaar kwamen. In 1991 kwam het eerste INTERREG-programma met een volume van een paar miljoen euro tot stand. Met aan de Euregio de taak om te bedenken hoe je dit geld projectmatig op een goede manier zou kunnen inzetten. En ik mocht meedenken over de manier waarop. Uiteindelijk ben ik nooit meer weggegaan.

Wat zijn de grootste veranderingen?

In de beginjaren was er vanuit de overheid maar weinig belangstelling voor grensoverschrijdende samenwerking. Dat is nu anders. In het begin waren het vooral de gemeenten, later kwamen daar voor de financiering het ministerie van Economische Zaken en het Wirtschaftsministerium bij. Ook zijn de provincies in de afgelopen 28 jaar hier een steeds nadrukkelijker rol gaan spelen. En dat maakt het wel een stuk gemakkelijker: zij zitten toch dichter bij het vuur dan Den Haag. We mogen ook niet vergeten dat de Nederlands-Duitse verhoudingen in de loop der jaren flink zijn verbeterd, en zeker de manier waarop de Nederlanders naar de Duitsers zijn gaan kijken. Na het WK Voetbal in 2006 was er sprake van een meer dan positieve kentering.

Wat vindt u het leukste aan uw baan?

Het is en blijft fascinerend om te proberen verschillende partijen uit twee landen bij elkaar te brengen, om vervolgens te kijken hoe je op diverse vlakken een meerwaarde kunt creëren voor de inwoners van de grensregio. Dat vind ik nog steeds leuk.

Als u kijkt naar het afgelopen jaar, waar bent u dan het meest trots op?

Ik wil er graag drie zaken uitlichten. Ten eerste de structurele financiering van de GrensInfoPunten, ook zonder INTERREG-subsidie. Het is een mooi signaal dat de verantwoordelijke ministeries bereid zijn om hierin een stuk verantwoordelijkheid te nemen. Daar ben ik heel erg blij mee.
Een tweede hoogtepunt is voor mij de Nederlands-Duitse scholenwedstrijd, die de Euregio Rijn-Waal in opdracht van Land NRW en de Provincie Gelderland georganiseerd heeft. Als je de jeugd in hun jonge jaren al meegeeft dat samenwerking over de landsgrenzen heen belangrijk is, dan blijft dit voor de rest van je leven.
En last but not least natuurlijk de regeringsdialoog als heel belangrijk signaal voor de intensivering van grensoverschrijdende samenwerking. Hier hebben veel partijen samen hard aan getrokken. Iets om heel trots op te zijn.

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor 2019? Kunt u een voorbeeld noemen van actuele onderwerpen die hoog op de agenda staan?

Het vasthouden van de aandacht voor GROS. We plukken er nu de vruchten van en het is zaak dat dat zo blijft. Dat we niet op onze lauweren gaan rusten. Dat we ons blijven afvragen, wat de burgers in de grensstreek nodig hebben. Namelijk een goed functionerende samenleving waarin de grens geen barrière vormt, waarin je gemakkelijk kunt wonen en werken over de grens. En dat we problemen onder de aandacht brengen van de verantwoordelijke overheden. Dat is en blijft de leidraad in ons werk. De grens mag dan optisch wel zijn verdwenen, maar we bijten ons stuk op de regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld pensioenen, diploma-erkenning en grensoverschrijdende inzet van brandweerdiensten. Als Euregio kunnen we pragmatische oplossingen bedenken om de regelgeving heen, maar voor duurzame oplossingen hebben we echt de overheid nodig.

Op welke punten is er verder nog terrein te winnen?

Het is mij een doorn in het oog dat het grensoverschrijdend ambulancevervoer nog steeds niet geregeld is. En daarbij gaat het met name om de inzet van de Nederlandse ambulance in Duitsland. Dat is nog steeds niet toegestaan, aangezien er in een Nederlandse ambulance geen arts aanwezig is, terwijl dat in Duitsland verplicht is. Ministeries beloven al jaren om hier iets aan te doen, maar concreet is er nog niets gebeurd. Er zijn gelukkig wel wat pilotprojecten waarbij Duits personeel wordt geschoold om ook aan Nederlandse zijde aan de slag te kunnen, maar we zijn er nog lang niet.
Een tweede pijnpunt is wat mij betreft de gebrekkige beschikbaarheid van grensoverschrijdend openbaar vervoer. In de Euregio Rijn-Waal kennen we met de busverbinding van Emmerich naar Nijmegen en de regionale trein van Arnhem naar Düsseldorf slechts twee succesverhalen. Als we willen dat een grensoverschrijdende arbeidsmarkt binnen handbereik komt, moet dat ook geregeld zijn.

Waar gaan we ons in de grensoverschrijdende samenwerking naartoe bewegen?

Ik kan alleen de hoop uitspreken dat we op deze voet door kunnen gaan en de aandacht hiervoor vast weten te houden. We moeten deze aandacht gebruiken om stappen te zetten en vooruit te komen. Dat wordt de uitdaging voor de komende jaren. Denk daarbij onder meer aan de ontwikkeling van een arbeidsmarktplatform ter bevordering van de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit. Een andere mooie stap is het herdenken en vieren van 75 jaar vrijheid, volgend jaar en in 2020, waar we ook onze oosterburen bij willen betrekken.

Interview: “Fors investeren in relatie met Duitsland”

Sinds augustus 2018 is Ellen Berends Consul-Generaal van het Koninkrijk der Nederlanden in Düsseldorf en daarmee de opvolger van Ton Lansink, die ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden in Tunesië is geworden. In oktober had Berends haar ‘vuurdoop’ met het bezoek van Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima aan Rijnland-Palts . Grenspost Düsseldorf ging met haar in gesprek over haar ervaringen in de eerste maanden van haar nieuwe functie.

Hoe bevalt het werk tot nu toe? Wat is uw eerste indruk? 

Ik heb mijn minister om deze plaatsing gevraagd en ik ben na twee maanden alleen maar geïnteresseerder geworden. De economische relaties tussen Nederland en Duitsland zijn heel omvangrijk: ongeveer een kwart van de Nederlandse export gaat naar Duitsland, het leeuwendeel daarvan naar de grensdeelstaten Noordrijn-Westfalen (NRW) en Nedersaksen. Talloze Nederlandse bedrijven investeren hier en gebruiken deze regio als springplank naar de rest van de Duitse en Europese markt. Je zit in Düsseldorf dus ‘where the action is’ – een geweldige baan.

Wat zijn de meest urgente zaken waar u mee aan de slag moet?

Ik had een vliegende start met het werkbezoek van Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima aan Rijnland-Palts en Saarland in oktober. Zij werden begeleid door de ministers Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en zo’n 80 bedrijven. Een heel aantal daarvan heeft overeenkomsten getekend met Duitse counterparts. Wij zullen in de komende maanden aandacht geven aan de follow-up van deze contacten. Nu gaat mijn aandacht vooral uit naar regeringsconsultaties die in november zullen plaatsvinden tussen Nederland en NRW.

Heeft u al kennis gemaakt met Nederlands-Duitse cultuurverschillen en, indien ja, welke?

Het is fascinerend dat twee buurvolken zoveel gemeenschappelijk hebben en tegelijkertijd zo verschillend zijn. De Duitsers die ik ontmoet heb zijn een beetje formeler dan de gemiddelde Nederlander. En de auto is hier veel belangrijker dan in Nederland. Als ik ’s morgens naar mijn werk fiets, hoop ik dat Düsseldorf op enig moment speciale fietspaden zal aanleggen...

Hoe is het gesteld met uw kennis van de Duitse taal?

Toen ik jong was heb ik goed Duits geleerd, maar ik heb niet eerder in deze taal gewerkt. Ik heb daarom taallessen genomen om mijn kennis op te frissen. Gelukkig houd ik erg van talen, dus dat is geen straf!

De grensregio´s worden ook landelijk gezien steeds belangrijker. Zo vond er op 8 oktober jl. een ontmoeting plaats tussen staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Raymond Knops en minister van Europese Zaken van NRW Stephan Holthoff-Pförtner. Hoe ziet u de gestegen belangstelling voor grensoverschrijdende samenwerking aan beide zijden van de Duits-Nederlandse grens?

Dat is een logische ontwikkeling en in het belang van alle betrokkenen. De grensposten zelf staan er al lang niet meer, maar de wet- en regelgeving is nationaal en sluit soms slecht op elkaar aan. De Europese Commissie heeft berekend dat zo’n 8% groei in grensregio’s mogelijk is als we erin zouden slagen de praktische belemmeringen op te heffen en de kansen te grijpen die er zijn. De Nederlandse regering en de grensprovincies investeren daarom fors in deze relaties. Voor mijn team in Düsseldorf is dit één van de belangrijkste opdrachten.

De drie grensprovincies Gelderland, Overijssel en Limburg hebben sinds een paar jaar elk een “Deutschlandbeauftragte(r)” in Düsseldorf. Wat vindt u van dit engagement van de grensprovincies?

Het Consulaat-Generaal en de Nederlandse grensprovincies zijn sinds mei 2016 samen gehuisvest. Inmiddels voelt het heel natuurlijk aan. Het weerspiegelt de veranderingen in Nederland waarbij taken zijn gedecentraliseerd naar provincies, bijvoorbeeld op het gebied van regionale economie en mobiliteit.Rijk en provincies werken nu samen , zoals bij de Omgevingswet of het opzetten van een nieuwe governance structuur voor de grensoverschrijdende samenwerking. In NRW ervaren veel ministeries en instellingen het als service dat zij niet met het Rijk en de provincies afzonderlijk zaken hoeven te doen, maar dingen kunnen combineren. De lijntjes zijn korter geworden, en provincies en consulaat profiteren van elkaars netwerken. Het is een win-winsituatie voor alle partijen in Duitsland en in Nederland.

Waar ligt uw prioriteit de komende vier jaar?

Het grootste deel van mijn tijd zal ik besteden aan het verder bevorderen van de grensoverschrijdende samenwerking en aan de economische relaties tussen Nederland en de deelstaten waarvoor ik verantwoordelijk ben. Het leuke is dat je als Consul-Generaal samen met je team iedere dag weer bijdraagt aan de goede betrekkingen tussen beide landen, en werkt aan concrete oplossingen voor problemen waar burgers en bedrijven direct voordeel bij hebben. Ik kijk er naar uit!

“De kansen over de grens liggen juist nu voor het grijpen”

Sinds een klein jaar mag Christoph Almering zich directeur-bestuurder van de EUREGIO in Gronau noemen. Daarmee maakte Almering een carrière move, die voor de voormalig journalist op het eerste oog niet de meest voor de hand liggende was. In gesprek met Grenspost verraadt Almering waarom hij zich in zijn nieuwe functie helemaal op zijn plek voelt.


U bent in Ahaus geboren, vlakbij de Nederlandse grens. Nederland was voor u dus altijd al dichtbij. Hoe was het leven als ‘Grenskind’ voor u?

De grens en het oversteken ervan was en is voor mij inderdaad de normaalste zaak van de wereld. Als klein jochie fietste ik al de grens over om in Enschede of Winterswijk boodschappen te gaan doen, zonder erover na te denken wat het bordje ´Zollgrenzbezirk` eigenlijk precies betekende.

Sinds november vorig jaar bent u directeur-bestuurder van de EUREGIO Gronau. Wat houdt uw functie precies in?

De kerntaak van de EUREGIO en daarmee ook mijn belangrijkste taak als directeur-bestuurder is de ontwikkeling van deze regio tot een verzorgingsgebied. Dat is altijd al het hoofddoel van de EUREGIO geweest en is ook verankerd in de nieuwe strategie EUREGIO 2030. Deze doelstelling willen we met alle denkbare partners vanuit het bedrijfsleven, het onderwijs en de dienstverlenende sector bereiken.

Is er een Nederlandse eigenschap, die u als bijzonder prettig ervaart? 

Het fijne aan Nederlanders vind ik dat ze over het algemeen heel gemakkelijk in de omgang zijn en dat het in de regel erg eenvoudig is om een gesprek aan te knopen. Misschien vind ik dat zo prettig omdat ik zelf ook zo´n inslag heb. Stiekem ben ik best een beetje Nederlands.

 

Wat vindt u het leukste aan uw baan? 

Dat is het grensoverschrijdende karakter an sich. Het voortdurende switchen tussen de twee talen, de cultuur en mentaliteitsverschillen en alles, wat daarbij hoort. Het is ongelooflijk boeiend dit elke keer opnieuw aan den lijve te mogen ondervinden en dat maakt het alles behalve eentonig.

De drie provincies Gelderland, Overijssel en Limburg hebben inmiddels elk een Deutschlandbeauftragte in Düsseldorf. Wat vindt u van deze ontwikkeling?

Dat is een belangrijk signaal van Nederland aan Duitsland en geeft aan hoe belangrijk ons buurland de betrekkingen met Duitsland en Noordrijn-Westfalen vindt. Duitsland heeft dit signaal ook opgepikt en beantwoord, onder andere in de vorm van de coalitieovereenkomsten in Hannover en Düsseldorf. De benoeming van de drie Deutschlandbeauftragten heeft wat mij betreft echt een meerwaarde. Zij kunnen op deze manier de vinger goed aan de pols houden. Ook krijg je in Duitsland op deze manier direct mee wat er in de provincies speelt en op welke punten er actie ondernomen moet worden. Zij vormen een belangrijke pijler onder de grensoverschrijdende samenwerking.

De grensregio´s worden ook landelijk gezien steeds belangrijker. De huidige Nederlandse staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Raymond Knops, maakt zich momenteel sterk voor een betere grensoverschrijdende samenwerking in de grensregio´s. Het lijkt wel of de tijden nog nooit zo goed zijn geweest als nu om deze samenwerking verder te intensiveren.

Dat is inderdaad een uitgesproken positieve ontwikkeling. Er is op allerlei plekken grensoverschrijdend veel in beweging, we merken dat onze partners echt heel actief zijn omdat de kansen juist nu voor het grijpen liggen. En als de politiek dan ook nog eens duidelijk maakt, energie te willen steken in de verdere intensivering van de Nederlands-Duitse betrekkingen, is dat natuurlijk een signaal bij uitstek aan alle betrokkenen om hier ook zelf vaart achter te zetten. Ik heb ook het gevoel dat de vriendschapsbanden zelden zo goed waren als nu. En dat is wel eens anders geweest. Nu is het moment om de muren in de hoofden van mensen en bij instanties nog verder af te breken.

Kunt u een voorbeeld noemen van actuele onderwerpen die hoog op de agenda staan?

Momenteel staan de GrensInfoPunten en de arbeidsmarkt in de spotlights. Met het nu goedgekeurde nieuwe INTERREG-project heeft het GIP in Gronau weer tijd gewonnen tot eind 2020. Maar: al in maart 2020 moet duidelijk zijn hoe de financiering er daarna uit zal zien, anders komen de GrensInfoPunten te vervallen. De vraag is dus nu hoe de toekomst van het GrensInfoPunt eruit zal gaan zien. Dat de GrensInfoPunten voor een verdere stimulering van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt onmisbaar zijn, blijkt uit een evaluatierapport van het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De discussies over de permanente financiering ervan lopen momenteel, en we moeten er met zijn allen voor zorgen dat we de motor achter de GrensInfoPunten niet laten afslaan. Maar ik ben optimistisch dat we gezamenlijk tot een goede oplossing zullen komen.

Over INTERREG-projecten wordt vaak beweerd dat ze te bureaucratisch zouden zijn. Hoe is dat bij de andere projecten? Werkt de EUREGIO zelf nog aan interne processen om de aanvraagprocedure te versnellen en te vereenvoudigen?

We dienen zelf ook aanvragen in voor INTERREG-projecten en weten hoe veel werk dat kan zijn. Tegelijkertijd zien we dat de aanvraag voor kleine projecten al flink is vereenvoudigd en de aanvraag voor mini-projecten inmiddels digitaal en in een taal kan worden gedaan. Er zijn werkgroepen actief die nadenken over verdere vereenvoudigingen, ook voor grotere projecten. De drempels zijn nog steeds hoog, en dat niet zonder reden. Ik ben van mening dat het bij de grote bedragen waarover we spreken niet meer dan gerechtvaardigd is om exact te willen weten of het belastinggeld op de juiste manier is uitgegeven. In zoverre is bureaucratie zeker zinvol, hoewel er zeker nog winst te boeken valt.

De EUREGIO viert dit jaar haar zestigjarig jubileum. Hoe moet de EUREGIO zich volgens u verder ontwikkelen?

We werken momenteel aan ons nieuwe strategiepaper Euregio 2030 en hebben besloten dat de basis van de strategie als geheel onveranderd blijft. We blijven ons in de kern richten op het ontwikkelen van de regio tot een verzorgingsgebied. Een extra toevoeging is de versterking van de regionale identiteit. De inwoners van dit gebied onderhielden van oudsher al handelsbetrekkingen over de landsgrenzen heen. Deze werden pas veel later door grenzen bemoeilijkt. In de loop der eeuwen is hier een specifieke regionale identiteit ontstaan, en die willen we behouden. Nu moeten we ervoor zorgen dat de bevolking de regio ook daadwerkelijk als een gebied gaat zien en de grenzen ook uit de hoofden van de mensen verdwijnen.

Foto: (c) EUREGIO

Afscheidsinterview Ton Lansink: van braadworst naar couscous

Aan het eind van de zomer legt Ton Lansink (1955), consul-generaal van het Koninkrijk der Nederlanden in Düsseldorf, zijn functie neer om aan de slag te gaan als ambassadeur in Tunesië. Voordat hij, zoals hij zelf zegt, “de braadworst inwisselt voor de couscous”, blikt hij in een interview met Grenspost terug op zijn werkzaamheden in ons buurland in de afgelopen vier jaar.

U bent vier jaar lang consul-generaal op het consulaat in Düsseldorf geweest. Waar hebt u zich gedurende deze periode vooral mee beziggehouden?

Eerst en vooral met een drietal zaken: grensoverschrijdende samenwerking, economische diplomatie (het vroegere handelsbevordering, red) en een reorganisatie op het consulaat-generaal. Als we kijken naar economische diplomatie, dan beperkt zich dat al lang niet meer tot de rechtstreekse ondersteuning van bedrijven. Het draait vooral ook om het diplomatiek actief zijn op sectorniveau, ook grensoverschrijdend. Een mooi voorbeeld daarvan op het gebied van infrastructuur zijn de verschillen bij het onderhoud van bruggen, die in Nederland in de regel veel sneller gerepareerd worden dan in Duitsland. Hier liggen kansen voor Nederlandse gespecialiseerde bedrijven. Wij helpen hen graag om het potentieel aan de andere kant van de grens te benutten.

Op welke resultaten uit de afgelopen vier jaar bent u het meest trots?

Ik vind het ontzettend fijn dat er dit najaar regeringsconsultaties op stapel staan. Daarnaast ben ik erg blij met de groeiende aandacht voor de grensregio’s vanuit Den Haag. Er zijn momenteel relatief veel politici die een band met de grens hebben en dat kan ik alleen maar toejuichen. Noordrijn-Westfalen, Nederland en Vlaanderen vormen één groot economisch gebied met een groot nadeel: heel veel zaken die ons dagelijks (samen)leven betreffen, zoals belastingen, sociale voorzieningen en arbeidsrecht, zijn verschillend geregeld. Met een auto kun je de grens oversteken, met een belastingstelsel niet. En in dat grote gebied, waarin drie landen nauw met elkaar verbonden zijn, is het belangrijk dat we competitief blijven, niet alleen binnen Europa maar ook in de rest van de wereld. Het is goed dat politici zich realiseren dat ze daar iets aan moeten doen.

Wat zijn volgens u de meest urgente kwesties waar de volgende consul-generaal mee aan de slag moet?

De arbeidsmarkt. Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nederland kennen heel duidelijk drie verschillende arbeidsmarkten die nauwelijks met elkaar zijn verbonden. Er zijn tijden geweest waarin er sprake was van grote verschillen in werkloosheidspercentages langs de grens. Dat is nu gelukkig anders, maar het geeft wel aan dat de arbeidsmarkt niet geïntegreerd is.
Ook op het gebied van ruimtelijke ordening is er volop werk aan de winkel. Dan hebben we het niet alleen over grensoverschrijdende spoorverbindingen en rivieren, maar bijvoorbeeld ook over het vervoer via buizen. Je hebt er niets aan als dat aan de ene kant van de grens goed is geregeld en aan de andere kant niet.

Wat vindt u het leukste aspect aan grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en Duitsland?

Ik ben een kind van de regio en ik voel me in Düsseldorf als een vis in het water. Het is ongelooflijk prettig om met de Duitse collega’s samen te werken. Ik zeg niet dat we hetzelfde zijn, maar er is veel herkenning. Ik groeide in het Achterhoekse Lichtenvoorde op met Sint Maartensoptochten, paasvuren, schuttersverenigingen en Frühshoppen. En dat kent men in Noordrijn-Westfalen ook. Toen ik in 2014 in Düsseldorf aan de slag ging, voelde ik me meteen thuis. Dat kan als diplomaat op verder weg gelegen posten weleens anders zijn.

Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren en andersom? Wat heeft u zelf van uw tijd in Duitsland opgestoken?

Om te beginnen de Duitse taal. Ik ben weliswaar opgegroeid met de Duitse televisie, maar er is niets fijner dan een taal zo te beheersen dat je er ook echt professioneel in kunt communiceren. En wat ik ook heb geleerd, is dat mensen niet altijd in de gaten hebben dat de problemen die we tegenkomen bij onze samenwerking vaak veroorzaakt worden doordat we gewoonweg een andere aanpak hebben. Met name bij Duitsers is dat opvallend. Waar Duitsers beginnen met een grondige analyse van een probleem, vinden Nederlanders dat veel te lang duren en beginnen ze direct met het zetten van de eerste stappen tot een oplossing om vervolgens te zien wat er gebeurt. Beide manieren van aanpak zijn echter van grote waarde, met allebei hun voor- en nadelen. Prettig aan het samenwerken met een Duitser is te weten dat een afspraak ook echt een afspraak is. En bij Nederlanders is het prettig om te weten dat er, zodra zich een probleem voordoet, altijd naar een oplossing wordt gezocht.

Merkt u dat in de afgelopen vier jaar meer Nederlandse bedrijven de stap naar de Duitse markt hebben gewaagd? Is de drempel om in het buurland aan de slag te gaan lager geworden?

Toen ik in 2014 aantrad als consul-generaal waren er heel veel bedrijven die graag naar Duitsland wilden. Dat had natuurlijk alles te maken met de economische situatie in Nederland. Nu de economie weer is aangetrokken, is de noodzaak om over de grens te kijken er niet meer per se. En zakendoen in Duitsland gaat nu eenmaal echt anders dan in Nederland en dat merken Nederlandse ondernemers ook. Als de zaken in eigen land goed gaan, is het altijd de vraag of zij energie kunnen en willen steken in het aanboren van een nieuwe markt. Wat wel positief is, is dat het handelsvolume tussen Nederland en Duitsland het afgelopen jaar wederom is toegenomen, zij het slechts een klein beetje. Nederland is de concurrentiestrijd met landen als China, Polen en Tsjechië dus niet aan het verliezen en dat is een opsteker. Het is leuk om nieuwe markten te verkennen, maar het is ook goed om stabiele inkomsten te hebben en de export naar een belangrijk buurland als Duitsland niet te verliezen.

U bent hiervoor ambassadeur in Libië geweest en gaat nu weer terug naar het Midden-Oosten als ambassadeur in Tunesië. Wat trekt u zo aan in de Arabische wereld?

Ik ben beroepsmatig natuurlijk iemand die elke vier jaar een andere tak van sport beoefent. Tunesië trekt mij vooral omdat het voor een diplomaat een heel interessant en boeiend land is, vooral op het gebied van politiek, veiligheid, migratie en maatschappelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn mijn vrouw en ik ooit in een Arabischsprekend land begonnen. Het voelt niet als thuiskomen, maar het voelt wel heel vertrouwd. En Tunis ligt op dezelfde hoogte als Sicilië en Zuid-Spanje, dus dat betekent lekker weer en lekker eten. Ik verheug me op de couscous.

Foto: (c) Studio Schaffrath

“Meer aandacht voor grensoverschrijdende successen”

Als het gaat om grensoverschrijdend samenwerken, zijn de thema’s onderwijs en arbeidsmarkt hete hangijzers. Beleidsmedewerker Tom Martinussen is expert op dit gebied en houdt zich binnen de provincie Limburg bezig met onderwerpen als grensinformatievoorziening, grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling en diploma-erkenning. Grenspost Düsseldorf wilde hier meer over weten en stelde de heer Martinussen een aantal vragen.

Tom Martinussen
Tom Martinussen

U bent beleidsmedewerker onderwijs en arbeidsmarkt bij de Provincie Limburg: wat houdt uw functie precies in?

Ik houd mij binnen de provincie Limburg vooral bezig met het provinciale “Actieplan Grensoverschrijdend Leren en Werken”. Gezien het feit dat wij bijna alleen maar grenzen aan de buurlanden en nog veel te weinig gebruik maken van de kansen die dat biedt, willen wij daar via het versterken van de Euregionale component in het onderwijs en stimuleren van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt (grensinfopunten, grensoverschrijdende bemiddeling en diploma-erkenning) een impuls aan geven.

Wat vindt u het leukste aspect aan grensoverschrijdende samenwerking?

Het leuke aan dit werk vind ik de culturele verschillen: onze buren hebben toch andere omgangsvormen. Overigens merk ik dat de taal hierin wel een barrière vormt. Al kom je er met wat steenkolen Duits en Google Translate uiteindelijk wel. Daarnaast is het mooi dat het thema grensoverschrijdende samenwerking op dit moment ook in de landelijke politiek echt de aandacht krijgt. Dit is een kans voor ons als grensregio’s.

Welke Duitse eigenschap weet u het meest te waarderen? Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren en andersom?

Ik denk dat het niet verrassend is, dat ik de zorgvuldigheid en beschaafdheid waarmee Duitsers werken enorm waardeer. Daar kunnen wij nog wat van leren. De Duitsers kunnen andersom weer wat leren van onze creativiteit.

Welke kansen ziet u in het onderwijs en op de arbeidsmarkt door samen te werken met Duitsland?

Duitsland en Nederland zijn elkaars belangrijkste handelspartners. Toch zie je dat we in het onderwijs veel te weinig aandacht hebben voor dit belangrijke buurland. Wanneer mensen de arbeidsmarkt betreden, ontbreekt het bewustzijn voor en de kennis van de mogelijkheden vlak over de grens. Met een gerichte aanpak is hier nog veel winst te behalen voor werkgevers en werknemers. Overigens staat zowel in onderwijs en arbeidsmarkt wederkerigheid voorop! Het gaat er niet alleen om, Nederlanders in Duitsland aan het werk te krijgen maar ook andersom.

Wat moet er volgens u nog gebeuren om de drempels weg te werken die nu nog een barrière vormen bij de samenwerking met onze oosterburen, zoals de erkenning van diploma’s?

Er moet veel meer en structureel samengewerkt worden, zodat het vertrouwen in elkaar groeit. Daarmee hoop ik dat de grondhouding rondom erkenning van diploma’s groeit. Daarnaast moeten we zeker niet alleen over de problemen communiceren. Er gaat iedere dag namelijk ook heel veel goed! Dat moet nog veel beter inzichtelijk worden gemaakt.

Foto: (c) EUREGIO

“We moeten veel meer grensontkennend werken”

Het station van Keulen

Het Mobiliteitsoverleg tussen Noordrijn-Westfalen en Nederland bestaat al meer dan tien jaar. Het is voor de grensprovincies, Gelderland, Overijssel, Limburg en Noord-Brabant bij uitstek de gelegenheid om met het ministerie van Verkeer van de Duitse deelstaat van gedachten te wisselen over grensoverschrijdende mobiliteitsvraagstukken. Coen Mekers, senior-beleidsmedewerker bij de Provincie Gelderland en namens de provincie coördinator van het meerjarenprogramma transport, is met een aantal collega´s nauw betrokken bij het Mobiliteitsoverleg. Grenspost sprak met hem.

Wat houdt uw functie precies in?

Ik houd me bezig met het leggen van verbindingen tussen de provinciale Gelderse doelen, projecten, belangen en die van partners. Concreet voer ik overleg en maak ik afspraken met bijvoorbeeld het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar ook met de Europese Commissie en Noordrijn-Westfalen over gezamenlijke thema’s en projecten.

Welke onderwerpen staan er zoal op de agenda tijdens het Mobiliteitsoverleg?

Het Mobiliteitsoverleg draait om hele praktische zaken zoals het afstemmen van wegwerkzaamheden, de aanleg van wegen en spoorverbindingen en het uitwisselen van verkeersgegevens. Maar er staan ook meer strategische onderwerpen op de agenda, zoals corridorontwikkeling en innovatieve oplossingen voor mobiliteitsvraagstukken.
Onze bestuurders komen elke twee jaar bij elkaar om de voortgang te bespreken en nieuwe afspraken te maken. Op ambtelijk niveau gebeurt dat halfjaarlijks. Daarnaast worden er regelmatig conferenties en expertbijeenkomsten georganiseerd over actuele thema’s en zijn er werkgroepen voor bijvoorbeeld logistiek en informatie-uitwisseling.

Als coördinator van de samenwerking van de Nederlandse provincies met Noordrijn-Westfalen op het gebied van mobiliteitsvraagstukken komt u in aanraking met grensoverschrijdende zaken. Wat vindt u het leukste aspect hieraan?

Het ontmoeten van mensen en het in gesprek gaan en zo ontdekken wat ons gezamenlijk in de grensregio’s bezighoudt. En dan vervolgens actie ondernemen om bijvoorbeeld barrières weg te nemen en projecten uit te voeren.

Welke Duitse eigenschap weet u het meest te waarderen? Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren en andersom?

Duitsers bereiden besprekingen altijd tot in de puntjes voor en dat waardeer ik zeer. Dat komt ook door hun kenniscultuur. Nederlanders hebben vaak de neiging om tijdens een overleg pas na te denken over onderwerpen en dan aan het einde voor te stellen om er nog eens over na te denken of een notitie te maken. Nederlanders kunnen van Duitsers leren dat een goede voorbereiding het halve werk is. En Duitsers kunnen van Nederlanders leren om zaken meer integraal en vanuit een helicopterperspectief te bekijken.

Welke kansen ziet u op het gebied van mobiliteit door samen te werken met Noordrijn-Westfalen?

Mobiliteit houdt zich niet aan grenzen. In de dagelijkse praktijk steken we al vaak de grens over om te gaan winkelen, voor een stedentrip of voor het werk. Dat doen we nu nog voor een groot deel met de auto, maar we zouden veel meer met het openbaar vervoer kunnen doen. Er zijn plannen voor verbetering van de verbinding tussen Eindhoven, Venlo en Düsseldorf en ook de verbinding tussen Hengelo en Bielefeld is van start gegaan.

De Provincie Gelderland heeft samen met onder andere Noordrijn-Westfalen een nieuwe regionale spoorverbinding tussen Düsseldorf en Arnhem gerealiseerd. Bovendien liggen er grote kansen als we kijken naar de verbetering van de ICE-verbinding Amsterdam – Arnhem – Frankfurt. Deze ICE rijdt nu maar eens per twee uur naar Duitsland. Dat zou toch op zijn minst elk uur moeten zijn. Onze economieën zijn sterk met elkaar verbonden. Daar moeten we langs de grens veel meer gebruik van maken.

Kunt u een voorbeeld noemen van actuele samenwerkingsthema´s en ‘hete hangijzers’?

Heel actueel is het ontwikkelen van nieuwe manieren om de mobiliteitsvraagstukken aan te gaan.
Verkeersminister Hendrik Wüst van Noordrijn-Westfalen heeft onze gedeputeerde Conny Bieze onlangs in het kader van zijn eerste bezoek in Arnhem opgeroepen om samen innovatieve ideeën te ontwikkelen voor de verkeersvraagstukken. Dat noemen we dan slimme mobiliteit of intelligente vervoerssystemen.
In het verleden was vaak de hamvraag wie dan de eerste stap gaat zetten en wie er binnen de verschillende organisaties het juiste aanspreekpunt is. Inmiddels weten we elkaar door de jarenlange ervaring en samenwerking goed te vinden. Hierin hebben we dus al een flinke stap gemaakt.

Waar ligt volgens u de grootste uitdaging?

Grensoverschrijdende samenwerking gaat niet vanzelf en vraagt om continue inzet en een lange adem. We moeten veel meer grensontkennend werken, Daar hebben de inwoners van Noordrijn-Westfalen en de grensprovincies het meeste baat bij.

“Wederzijdse diploma-erkenning hoogste prioriteit”

Marcus Optendrenk

Telg uit de grensregio, verbinder, netwerker en aanspreekpunt voor grensoverschrijdende samenwerking: dat is Marcus Optendrenk, afgevaardigde voor de CDU in de Landtag van Noordrijn-Westfalen en voorzitter van de Parlamentariergruppe NRW-Benelux, in een notendop. Grenspost sprak met hem over de aantrekkingskracht en uitdagingen rond grensoverschrijdende samenwerking. Deze week het tweede en laatste deel van het interview.

Wat wilt u doen tegen het verdwijnen van kennis van de buurtaal?

Wederzijds begrip ontstaat dankzij talenkennis. Het feit dat de jongere generatie nog maar weinig Nederlands c.q. Duits spreekt, is zeker een punt van zorg. De meesten van hen spreken Engels en denken dat ze daarmee de wereld kunnen veroveren. Dat heeft tot gevolg dat ze veel zaken die slechts 5 kilometer verderop gebeuren, niet begrijpen, ook omdat taal te maken heeft met mentaliteit. De oplossing ligt in het bijeenbrengen van mensen, het liefst van jongs af aan. Ik zet me ook persoonlijk in voor het stimuleren van uitwisselingsprogramma´s tussen peuterspeelzalen en basisscholen. Dat is de kortste weg. In Düsseldorf zijn we in gesprek over de reactivering van instrumenten als het Duits-Nederlandse jeugdwerk, om dit als platform voor het stimuleren van grensoverschrijdend contact tussen jongeren te gebruiken. Als zij contact met elkaar hebben en daarbij geen obstakels zien, wordt samenleven over grenzen heen vanzelfsprekend.

Wat zijn de grootste bestuurlijke verschillen tussen Nederland en Duitsland?

De aanpak op dit vlak verschilt fundamenteel van elkaar. Dat zie je bijvoorbeeld wanneer je kijkt naar de uitvoering van Europese wet- en regelgeving. Een gemiddelde Nederlandse bestuurder probeert deze in te passen in het eigen systeem en als het even kan zo goed mogelijk voor het eigen systeem te benutten. Duitsers handelen veel meer vanuit ideologisch oogpunt. Zij steken veel energie in de vraag, hoe een 1-op-1 implementatie van deze regelgeving kan worden gerealiseerd, of nog extra regelgeving nodig is en of de regels strikter geïnterpreteerd moeten worden. Daaruit vloeit dan vaak een beweging voort, die veelal tegen de invoering van de Europese regels is.

Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren?

De Nederlandse aanpak om gewoon alvast te beginnen, heeft een paar belangrijke voordelen omdat er minder obstakels worden opgeworpen om iets nieuws op poten te zetten. Voor een groot aantal grensoverschrijdende projecten zou het echter goed zijn wanneer men, na het besluit om alvast te beginnen, even een pas op de plaats zou doen om zich af te vragen: “Hoe gaan we nu verder?” Anders wordt het aan Nederlandse kant vaak chaotisch. Als je deze verschillende manieren van aanpak beter met elkaar koppelt, profiteren alle betrokkenen daarvan.

De drie grensprovincies Gelderland, Overijssel en Limburg hebben inmiddels elk een ‘Deutschlandbeauftragte’ in Düsseldorf. Wat vindt u van deze investering door deze provincies?

Doordat er vanuit de provincies ook in Düsseldorf gezichten zijn die graag aanspreekpunt voor grensoverschrijdende kwesties zijn, staan de provincies in elk geval sterker. Daarom kan ik deze ontwikkeling alleen maar toejuichen. Nu gaat het erom, dat wij elkaar nog beter leren kennen om goed te kunnen bepalen wat wij in NRW precies kunnen doen om een bijdrage te leveren aan hun succes en te dienen als multiplicator.

Wat heeft voor u op het moment de hoogste prioriteit? Wat is de grootste uitdaging?

Dat is de wederzijdse diploma-erkenning, al jarenlang een groot probleem. De wil is er voor een groot deel wel, maar de bureaucratie zit in de weg. Als je bijvoorbeeld ziet dat er aan de HAN in Arnhem uitstekende pedagogen en psychologen worden opgeleid, en zij met een beetje pech in Duitsland, ondanks de personeelstekorten, niet aan de slag kunnen omdat hun diploma niet erkend is, dan is dat een doorn in het oog. En als ze wel in Duitsland een baan vinden, dan worden ze bij gebrek aan diploma-erkenning slechter betaald. Werkgevers in beide landen zouden aan de hand van bijvoorbeeld een stempel van een hogeschool of universiteit moeten kunnen zien, dat een afgestudeerde over de juiste vaardigheden beschikt. Het wordt tijd dat jongeren, voor wie de grens er sowieso geen meer is, merken dat deze ook in het onderwijs geen rol meer speelt. Daarin loopt het bestuurlijke apparaat 20 jaar achter op de mensen. En dat geldt niet voor de individuele bestuursmedewerker, maar voor de structuur als geheel.

 

“De kracht van de Nederlands-Duitse grensstreek zit in de wederzijdse verschillen”

Marcus Optendrenk

Telg uit de grensregio, verbinder, netwerker en aanspreekpunt voor grensoverschrijdende samenwerking: dat is Marcus Optendrenk, afgevaardigde voor de CDU in de Landtag van Noordrijn-Westfalen en voorzitter van de Parlamentariergruppe NRW-Benelux, in een notendop. Grenspost sprak met hem over de aantrekkingskracht en uitdagingen rond grensoverschrijdende samenwerking. Deze week het eerste deel van het interview.

U bent geboren en getogen in Lobberich, niet ver van de Nederlandse grens. Hoe heeft u de grensoverschrijdende samenleving ervaren?

Voor mij was de nabijheid van Nederland een absolute vanzelfsprekendheid en daarin speelde ook de televisie een belangrijke rol. Ik herinner me nog goed dat de Tour de France bijvoorbeeld op de Duitse tv alleen als samenvatting van 20 minuten werd uitgezonden. Automatisch kwamen we dan terecht bij de Nederlandse zenders, waar we de Franse wielerwedstrijd tot onze grote vreugde twee uur achter elkaar konden kijken. Ook de Duitse Sportschau duurde maar 45 minuten, daarna schakelden we over naar Studio Sport. De Nederlandse taal heb ik in eerste instantie vooral geleerd door er intensief naar te luisteren. Hoe meer de Duitse televisie opkwam, hoe meer de Nederlandse tv naar de achtergrond verdween. Een fatale ontwikkeling wat mij betreft.

Kunt u iets meer vertellen over de Parlamentariergruppe NRW-Benelux?

Deze groep werd in 2012 in het leven geroepen en bestaat in de kern uit politici van alle fracties, voor wie Duits-Nederlandse relaties een vanzelfsprekend onderdeel van hun leven zijn. Zij voeren veelvuldig overleg over grensoverschrijdende samenwerking met de parlementen in Den Haag, Brussel en Düsseldorf. In 2017 vond er onder de politici een grote wisseling van de wacht plaats. Van de kant van de CDU was ik de enige uit de oude groep, des te leuker is het om te zien dat er nu meer dan 25 collega´s uit alle fracties meedoen. Dat is in lijn met de opdracht die de Landesregierung zichzelf in zowel het coalitieakkoord als het werkprogramma heeft gesteld.

Dit jaar vieren de Benelux en NRW het tienjarig jubileum van hun samenwerking. Deze nauwe betrekkingen zijn op veel gebieden zeer effectief, maar er is nog veel braakliggend potentieel. Waar ziet u dit met name?

Het jubileum is een belangrijke mijlpaal en van dat moment moeten we gebruik maken. Bij de roodgroene regering lag de focus lang niet altijd op het belang van grensoverschrijdende samenwerking. Dat is inmiddels anders. Er zijn geen partijpolitieke discussies, en grensoverschrijdende samenwerking staat hoog op de agenda van de Landesregierung. Nu is het moment dat iedereen – en ook Minister van Europese Zaken van NRW Dr. Stephan Holthoff-Pförtner – er energie in wil steken. Eerste successen zijn nu dubbel belangrijk zodat grensoverschrijdende samenwerking kan profiteren van een vliegwieleffect.

De grensregio´s worden ook landelijk gezien steeds belangrijker. Zo bracht de Nederlandse staatssecretaris Raymond Knops onlangs een bezoek aan de Euregio en vorig jaar maakte de minister-president van NRW, Armin Laschet, zijn eerste buitenlandse reis naar Nederland. Wat is uw visie op de groeiende belangstelling voor grensoverschrijdende samenwerking aan beide kanten van de Nederlands-Duitse grens?

Iemand zei mij ooit eens: “Vat het niet verkeerd op, maar in Den Haag is de blik door de nabijheid van Scheveningen en Rotterdam sterker gericht op New York en Washington dan op Berlijn en Düsseldorf, hoewel de kilometers natuurlijk iets anders zeggen.” Met Raymond Knops, geboren in het Limburgse Hegelsom, en Armin Laschet, geboren in Aken, hebben we het geluk dat zij beide zijn opgegroeid in de grensstreek en uitstapjes over de grens voor hen vanzelfsprekend waren. Daarnaast hecht een aantal jonge politici uit de nieuwe generatie belang aan goede grensoverschrijdende betrekkingen. Mensen als Ger Koopmans en Hubert Mackus hebben hierin pionierswerk verricht. En daarbij speelt de partijkleur geen rol. Mensen die hetzelfde denken over een bepaald onderwerp, doen dit niet omdat ze lid zijn van een bepaalde partij, maar omdat ze dezelfde mentaliteit hebben. Voor ons allen draait het dan ook niet om de vraag naar goed of fout, maar naar “mooi anders”. En juist in die wederzijdse verschillen zit de kracht van de Nederlands-Duitse grensstreek.