Afscheidsinterview Ton Lansink: van braadworst naar couscous

Aan het eind van de zomer legt Ton Lansink (1955), consul-generaal van het Koninkrijk der Nederlanden in Düsseldorf, zijn functie neer om aan de slag te gaan als ambassadeur in Tunesië. Voordat hij, zoals hij zelf zegt, “de braadworst inwisselt voor de couscous”, blikt hij in een interview met Grenspost terug op zijn werkzaamheden in ons buurland in de afgelopen vier jaar.

U bent vier jaar lang consul-generaal op het consulaat in Düsseldorf geweest. Waar hebt u zich gedurende deze periode vooral mee beziggehouden?

Eerst en vooral met een drietal zaken: grensoverschrijdende samenwerking, economische diplomatie (het vroegere handelsbevordering, red) en een reorganisatie op het consulaat-generaal. Als we kijken naar economische diplomatie, dan beperkt zich dat al lang niet meer tot de rechtstreekse ondersteuning van bedrijven. Het draait vooral ook om het diplomatiek actief zijn op sectorniveau, ook grensoverschrijdend. Een mooi voorbeeld daarvan op het gebied van infrastructuur zijn de verschillen bij het onderhoud van bruggen, die in Nederland in de regel veel sneller gerepareerd worden dan in Duitsland. Hier liggen kansen voor Nederlandse gespecialiseerde bedrijven. Wij helpen hen graag om het potentieel aan de andere kant van de grens te benutten.

Op welke resultaten uit de afgelopen vier jaar bent u het meest trots?

Ik vind het ontzettend fijn dat er dit najaar regeringsconsultaties op stapel staan. Daarnaast ben ik erg blij met de groeiende aandacht voor de grensregio’s vanuit Den Haag. Er zijn momenteel relatief veel politici die een band met de grens hebben en dat kan ik alleen maar toejuichen. Noordrijn-Westfalen, Nederland en Vlaanderen vormen één groot economisch gebied met een groot nadeel: heel veel zaken die ons dagelijks (samen)leven betreffen, zoals belastingen, sociale voorzieningen en arbeidsrecht, zijn verschillend geregeld. Met een auto kun je de grens oversteken, met een belastingstelsel niet. En in dat grote gebied, waarin drie landen nauw met elkaar verbonden zijn, is het belangrijk dat we competitief blijven, niet alleen binnen Europa maar ook in de rest van de wereld. Het is goed dat politici zich realiseren dat ze daar iets aan moeten doen.

Wat zijn volgens u de meest urgente kwesties waar de volgende consul-generaal mee aan de slag moet?

De arbeidsmarkt. Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nederland kennen heel duidelijk drie verschillende arbeidsmarkten die nauwelijks met elkaar zijn verbonden. Er zijn tijden geweest waarin er sprake was van grote verschillen in werkloosheidspercentages langs de grens. Dat is nu gelukkig anders, maar het geeft wel aan dat de arbeidsmarkt niet geïntegreerd is.
Ook op het gebied van ruimtelijke ordening is er volop werk aan de winkel. Dan hebben we het niet alleen over grensoverschrijdende spoorverbindingen en rivieren, maar bijvoorbeeld ook over het vervoer via buizen. Je hebt er niets aan als dat aan de ene kant van de grens goed is geregeld en aan de andere kant niet.

Wat vindt u het leukste aspect aan grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland en Duitsland?

Ik ben een kind van de regio en ik voel me in Düsseldorf als een vis in het water. Het is ongelooflijk prettig om met de Duitse collega’s samen te werken. Ik zeg niet dat we hetzelfde zijn, maar er is veel herkenning. Ik groeide in het Achterhoekse Lichtenvoorde op met Sint Maartensoptochten, paasvuren, schuttersverenigingen en Frühshoppen. En dat kent men in Noordrijn-Westfalen ook. Toen ik in 2014 in Düsseldorf aan de slag ging, voelde ik me meteen thuis. Dat kan als diplomaat op verder weg gelegen posten weleens anders zijn.

Wat kunnen Nederlanders van Duitsers leren en andersom? Wat heeft u zelf van uw tijd in Duitsland opgestoken?

Om te beginnen de Duitse taal. Ik ben weliswaar opgegroeid met de Duitse televisie, maar er is niets fijner dan een taal zo te beheersen dat je er ook echt professioneel in kunt communiceren. En wat ik ook heb geleerd, is dat mensen niet altijd in de gaten hebben dat de problemen die we tegenkomen bij onze samenwerking vaak veroorzaakt worden doordat we gewoonweg een andere aanpak hebben. Met name bij Duitsers is dat opvallend. Waar Duitsers beginnen met een grondige analyse van een probleem, vinden Nederlanders dat veel te lang duren en beginnen ze direct met het zetten van de eerste stappen tot een oplossing om vervolgens te zien wat er gebeurt. Beide manieren van aanpak zijn echter van grote waarde, met allebei hun voor- en nadelen. Prettig aan het samenwerken met een Duitser is te weten dat een afspraak ook echt een afspraak is. En bij Nederlanders is het prettig om te weten dat er, zodra zich een probleem voordoet, altijd naar een oplossing wordt gezocht.

Merkt u dat in de afgelopen vier jaar meer Nederlandse bedrijven de stap naar de Duitse markt hebben gewaagd? Is de drempel om in het buurland aan de slag te gaan lager geworden?

Toen ik in 2014 aantrad als consul-generaal waren er heel veel bedrijven die graag naar Duitsland wilden. Dat had natuurlijk alles te maken met de economische situatie in Nederland. Nu de economie weer is aangetrokken, is de noodzaak om over de grens te kijken er niet meer per se. En zakendoen in Duitsland gaat nu eenmaal echt anders dan in Nederland en dat merken Nederlandse ondernemers ook. Als de zaken in eigen land goed gaan, is het altijd de vraag of zij energie kunnen en willen steken in het aanboren van een nieuwe markt. Wat wel positief is, is dat het handelsvolume tussen Nederland en Duitsland het afgelopen jaar wederom is toegenomen, zij het slechts een klein beetje. Nederland is de concurrentiestrijd met landen als China, Polen en Tsjechië dus niet aan het verliezen en dat is een opsteker. Het is leuk om nieuwe markten te verkennen, maar het is ook goed om stabiele inkomsten te hebben en de export naar een belangrijk buurland als Duitsland niet te verliezen.

U bent hiervoor ambassadeur in Libië geweest en gaat nu weer terug naar het Midden-Oosten als ambassadeur in Tunesië. Wat trekt u zo aan in de Arabische wereld?

Ik ben beroepsmatig natuurlijk iemand die elke vier jaar een andere tak van sport beoefent. Tunesië trekt mij vooral omdat het voor een diplomaat een heel interessant en boeiend land is, vooral op het gebied van politiek, veiligheid, migratie en maatschappelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn mijn vrouw en ik ooit in een Arabischsprekend land begonnen. Het voelt niet als thuiskomen, maar het voelt wel heel vertrouwd. En Tunis ligt op dezelfde hoogte als Sicilië en Zuid-Spanje, dus dat betekent lekker weer en lekker eten. Ik verheug me op de couscous.

Foto: (c) Studio Schaffrath